Friday, 18 August 2006

Pukkelpop en Broebelpoep

Een schokkend heldenverhaal!

Toen ik van mijn dagje veel te duur Pukkelpoppen terugkwam (waar ik onderandere de fantastische punkrocksensatie Turbonegro mocht aanschouwen, professioneel zaag Thom Yorke, Beck en Counting Crows-impersonators en -imitators The Magic Numbers), zat ik na een slapeloze nacht in het Sint-Pietersstation in Gent. Daar ging ik wijdbeens over een marmeren muurtje zitten, zodat ik met mijn rug tegen de daarbij horende pilaar kon leunen en een beetje dommelen. Ik moet er gruwelijk uitgezien hebben, vol zweet en vuil van de weide, wellicht stinkend naar bier en met rode, jeukende ogen en een bleek gezicht van te weinig slaap.

Dit bleek echter een kleine, nerveuze, snelhakkende Aziatische niet af te schrikken want met haar mobieltje tegen haar oor en vreemde kreetjes erin slakend plofte ze plots haar sjakosj op het door mij tot bankje opgewaardeerde muurtje. Gevaarlijk dicht bij mijn kruis. Terwijl ze nog steeds geëxciteerd in haar telefoon aan het kraaien was en zich onhandig probeerde te ontdoen van de sjakosj die nog om haar pols zat, probeerde ze al met de andere hand in de tas te graaien naar wat later een pen zou blijken. Hoewel ik normaalgezien een zachtaardig en menslievend persoon ben, besloot ik deze keer niet te helpen -het zou me in deze tijden niet verwonderen moest ze denken dat ik haar tas probeer te stelen en mij met de tas, waar zéker een strijkijzer in zat, voor de kop slaan- maar geduldig toe te kijken naar wat er allemaal zou gaan gebeuren met dat kleine, gele dametje. Ik zakte een klein beetje onderuit en wierp met mijn eigen kleine rugzakje een buffer op tussen mijn kruis en haar tas, het voorwerp van haar (en dat wenste ik zo te houden) kwelling.

Toen ze, na een halve minuut frenetiek grabbelen in de tas en kirren in de telefoon, plots een zucht van verlichting slaakte, de bewuste pen opdiepte en iets begon te noteren wat de stem aan de andere kant haar dicteerde, voelde ik die opluchting in mijn medeleven ook door mijzelf stromen. En voor ik het goed en wel besefte, was ze daar. Geruisloos en kleurloos als het dodelijkste gas verliet ze mijn lichaam langs het achterpoortje en en ik wist wat dat betekende. Deze scheet zou niet alleen het marmer waarop ik zat, aantasten maar kon ook het ongetwijfelde gevoelige Oosterse reukorgaan bereiken en ik besefte dat dat het gele mensje fataal kon worden. Nooit wenste ik iemand zo hard weg als toen; in mijn hoofd zwaaide ik wild met mijn armen maar het gas had mij al verlamd en al wat ik nog kon doen was een laatste mentale inspanning om haar weg te wensen.

Ik dacht, ik dacht en ik wílde dat ze vertrok, ik dacht zo hard dat ik even vreesde dat er nog wel eens een ontsnapping kon gebeuren als ik nog harder zou gaan denken. Maar toen, als bij toverslag, stond ze plots op uit haar half gekromde houding die ze had aangenomen om efficiënt te kunnen noteren, en vertrok met even snelle, kordate stapjes als ze gekomen was naar buiten. Zou ze het geroken hebben? Ik zal het wel nooit weten, maar ik vind het leuk te denken dat ik haar heb weggedacht en zo haar leven gered. Zoals altijd na een goede daad, voelde ik mij stukken beter en kreeg ik een tijdelijke zelfvertrouwensboost. Ik vergat hoe ik erbij liep -korte broek, leren jasje, oranje t-shirt en sportschoenen met sokken die ik tegen de belachelijkheid helemaal naar beneden had gerold- en spoorde naar huis.

Fin.

1 comment:

Anonymous said...

Yo S,

Zalig verhaal. Zalig.

RG